7 juli 2019

 

Voorganger: ds. Dick van der Vaart 

 Lezing: Mattheüs 22: 34-40 

Lezen : Nieuw onderwijs 

Jezus, de zoon van Maria 

rent een heuvel op 

alsof een wild dier hem 

op de hielen zit. 

Iemand volgt hem en vraagt: 

“ Waar ga je naartoe, 

er zit toch niemand achter je aan ? “ 

Jezus antwoordt niet maar rent nóg twee velden verder. 

“Ben jij degene die woorden kan uitspreken over een dode 

en hem zo tot leven kan wekken ?” 

“ Die ben ik. “ 

“Liet jij niet vogel van klei vliegen? “ 

“ Dat deed ik. “ 

“ Voor wie of wat ren je dan alsof je leven er van afhangt ? “ 

Nu vertraagt Jezus pas zijn pas. 

“Ik zeg de grote Naam over doven en blinden 

en ze zijn genezen. “ 

“ Ik zeg de grote Naam over een berg, gekleed in steen, 

en de berg maakt zich vrij van zijn mantel van steen. “ 

“Ik zeg de grote Naam over het niet-bestaan en het komt tot bestaan. 

Maar als Ik uren aaneen, dag in dag uit, vol liefde spreek met mensen 

die menselijke warmte gebruiken als voorwerp van spot 

en de Naam voor hen uitspreek, gebeurt er niets. 

Zij blijven rots, worden hooguit tot zand, 

voedingsbodem voor plant noch gewas. 

Andere ziektes zijn wegen 

waarlangs de genade haar intrede kan maken. 

Maar deze vorm van niet-antwoorden is 

voedsel voor geweld en koudheid jegens God. 2 

Daarvoor vlucht Ik. 

Zoals de lucht stukje voor stukje water steelt, 

zo drogen woorden van lof op, 

verdampen ze bij domme lieden 

die weigeren te veranderen. 

Een cynicus steelt lichaamswarmte 

als de koude steen waarop je zit, 

hij voelt de zon niet.” 

Jezus liep niet weg van mensen. 

Hij was ze op een nieuwe manier 

aan het onderwijzen. 

Rumi ( 1207 – 1273 ) 

 

 

Gemeente van Christus, 

In de Schriftlezing hoorden we dat een Farizeeër, een wetgeleerde, om Jezus op de proef te stellen, de vraag stelde: “Meester, wat is het grootste gebod in de wet?” 

Wanneer je de vier evangeliën leest en daarbij niet heel goed de historische situatie tot je laat doordringen, dan krijg je als gauw een te negatief beeld van de Farizeeën. Het lijkt alsof ze er alleen maar op uit zijn om Jezus onderuit te halen. 

Maar dit beeld doet hen geen recht. Farizeeën waren oprechte en goedbedoelende mensen met een grote liefde voor de God van Israël. 3 

Het klopt dat ze kritisch stonden t.o.v. Jezus maar daar hadden ze reden toe. 

In Jezus’ tijd werd het land Israël bezet gehouden door de Romeinen. Het gevolg hiervan was dat het geloof van Israël dreigde te verwateren en op den duur zou kunnen verdwijnen. Dat wilden de Farizeeën voorkomen. Daarom probeerden ze heel nauwkeurig te leven volgens de voorschriften van de Joodse wet. 

Maar Jezus relativeerde die wet juist. Hij predikte dat de mens er niet was voor de wet maar dat de wet er was voor de mens. Overigens wilde Jezus de wet helemaal niet afschaffen : iedere jota en tittel. Wij zouden zeggen: ieder puntje op de i vond hij van belang. 

De bedoeling van de Farizeeërs was dus goed en eigenlijk was er helemaal niet zo’n grote tegenstelling tussen Jezus en de Farizeeërs als wij wel eens denken. 

En , u zult het veel vaker gehoord hebben, maar ik herhaal het nog maar eens , ook om mezelf eraan te herinneren : het is misleidend om te spreken van “ de Joodse wet “. Het woord “ wet “ roept associaties op met “wetboek“ in de zin van “wetboek van strafrecht.” 

Maar de Joodse wet is geen wetboek in die zin. De Joodse wet heet “Thora “. Dat betekent “ wegwijzer “. De regels die erin staan zijn geen wetten maar richtingwijzers. Het zijn wegwijzers langs de kant van de levensweg die als ANWB -borden de richting wijzen naar het beloofde land , naar het Koninkrijk van God. 

Wanneer de Thora geleerde aan Jezus vraagt: “ Meester wat is het grootste gebod in de Thora “ dan geeft Jezus geen christelijk antwoord, dan geeft hij geen nieuw antwoord maar dan geeft Hij een orthodox Joods antwoord: 

“ Heb de Heer uw God lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en heb uw naast lief als uzelf. “ 4 

In de kerk is door de eeuwen heen het misverstand ontstaan dat het in het jodendom om de wet zou gaan en dat het in het christelijk geloof om de liefde zou gaan. Maar uit Jezus Joodse antwoord blijkt dat het in het Joodse geloof ook om liefde gaat: liefde voor God en liefde voor de naaste. 

De 613 ge-en verboden van de Thora zijn er niet om mensen tot slaven van de wet te maken maar om ze te helpen om zich te richten op God. Wanneer Joden ’s morgens wakker worden dan spreken ze een zegenspreuk uit. Wanneer ze de kraan open draaien om zich te wassen dan spreken ze een zegenspreuk uit. Wanneer ze gaan ontbijten dat vragen ze om een zegen en na het ontbijt dan spreken ze een dankgebed uit. Wanneer ze in de auto stappen om naar hun werk te gaan dan vragen ze of God hen wil beschermen in het verkeer. Zo betrekken ze hun hele doen en laten van ’s morgens vroeg tot ze ’s avonds gaan slapen op God. Zo worden ze ontvankelijk voor de liefde van God, zo kunnen ze de liefde van God ontvangen en door liefdevol om te gaan met de medemens de liefde van God aan hen doorgeven. Zo hebben ze God lief met heel hun hart, heel hun ziel en heel hun verstand. Zo leven ze een leven van liefde en dankbaarheid en zorg voor de naaste. 

Zowel in Jodendom als in christendom gaat het om liefde voor God en liefde voor de medemens. Dit begreep ook Rumi , een Perzische dichter uit de 13e eeuw. 

In zijn prachtige gedicht “nieuw onderwijs “ beschrijft hij hoe Jezus een hevel oprent. Het lijkt alsof hij wegrent voor een wild dier dat Hem op de hielen zit. 

Dan vraagt iemand Hem : “ Waarvoor ben je op de vlucht ? Er zit toch niemand achter je aan ? En bovendien: Jij bent toch zo machtig dat je doden kan opwekken ? En je kunt toch een vogel van klei maken en hem zo weg laten vliegen ? “ 5 

En dan antwoordt Jezus: “ Dat is zo , zo machtig ben Ik . Ik ben nergens bang voor . Behalve voor liefdeloosheid. Wanneer je op een koude steen zit die niet door de zon verwarmt wordt , dan vloeit je lichaamswarmte langzaam uit je weg. Zo voel ik , wanneer Ik omga met liefdeloze mensen, de warmte van de liefde uit me weg vloeien. Zij voelen de zon van Gods liefde niet. Voor hen vlucht Ik weg. “ 

Maar gelukkig sloeg Jezus niet op de vlucht voor liefdeloze mensen. Hij zocht hen juist op om de zon van Gods liefde over hen te laten schijnen en hen te verwarmen. 

Rumi wist dit ook want hij eindigt zijn gedicht met de woorden: 

Jezus liep niet weg van mensen. Hij was ze op een nieuwe manier aan het onderwijzen. Door weg te rennen wilde hij ze op aanschouwelijke wijze iets leren over het gevaar van liefdeloosheid. 

“ Heb God lief boven alles en de naaste als jezelf. “ staat er op de richtingwijzer, het ANWB -bord die de richting wijst naar het beloofde land , naar het Koninkrijk van God. 

In de kerk hebben we deze woorden vaak zo opgevat alsof we onszelf zouden moeten wegcijferen, alsof we onszelf zouden moeten opofferen, alsof de naaste belangrijker is dan onszelf. Daarover het volgende verhaal: 

Ergens diep verscholen in een bos staat een klein klooster dat slechts bewoond wordt door zeven monniken. Een abt en zes broeders. Eén van de broeders is de beste vriend van de abt, een andere broeder is zijn broer, een derde broeder is een oude man die terminaal ziek is, vierde broeder is een mislukte monnik. Hij deugt nergens voor. Hij valt in slaap bij de gebeden. Komt te laat bij de gebedssamenkomsten. Leest altijd het verkeerde stuk wanneer hij de Schriftlezing moet doen en is heel erg lui. Een vijfde broeder is een 6 

groot Schriftgeleerde en een zesde broeder weet alles van geneeskrachtige kruiden en heeft de broeders al vaak van ver velende kwaaltjes genezen. 

Zo wonen ze bij elkaar in het klooster diep verscholen in het bos. Op een dag zitten ze in het zonnetje voor het klooster en worden ze opeen omsingeld door een groep zwaarbewapende bandieten. De roverhoofdman ziet in het klooster een ideale schuilplaats voor hem en zijn mannen. “ Wij nemen het klooster over “ zegt hij tegen de abt. “ We nemen het klooster over en we zullen jullie moeten doden. Want wanneer wij jullie laten gaan dan zullen jullie de plaats van het klooster verraden aan de overheid en zullen ze ons komen halen. “ 

“ Maar “ zegt de roverhoofdman “ Ik ben de beroerdste niet, in wezen ben ik een goed mens. Ik zal jullie laten gaan onder de voorwaarde dat jullie ons niet zullen verraden. Doen jullie dat wel dan zullen we jullie alsnog doden. En om jullie duidelijk te maken dat het ons menens is zullen we één van jullie doden. En u abt mag kiezen wie dat zal zijn. 

Daar staat de abt , alle ogen zijn op hem gericht. Wie zal hij kiezen ? Zijn beste vriend ? De oude broeder die toch al terminaal ziek is ? De monnik die nergens voor de deugd ? De Schriftgeleerde monnik ? De monnik met verstand van geneeskrachtige kruiden ? 

Wie denkt u dat de abt zal kiezen ? 

Na lang zwijgen antwoordt de abt de roverhoofdman. 

“ Ik kan niet kiezen en ik zal u vertellen waarom : Ik houd van al mijn broeders evenveel . Ik hou net zoveel van de meest luie monnik als van de meest ijverige monnik, ik houd net zoveel van de monniken die niet mijn broer of vriend zijn als ik houd van mijn broer en vriend.” 7 

En dan vervolgt hij : “ Dan zou ik mezelf kunnen kiezen maar dat kan ik ook niet want ik houd ook van mezelf. “ 

Wanneer de roverhoofdman dit hoort raakt hij diep ontroerd. Zo grote liefde heeft hij in zijn leven nog niet meegemaakt. En dan besluit hij zelf in te treden in het klooster en de helft van zijn mannen sluit zich bij hem aan en de andere helft vertrekt na hartelijke afscheid genomen te hebben. “ 

Gemeente, 

“Heb God lief boven alles en de naaste als uzelf “betekent niet “cijfer u zelf weg, offer u op “ maar heb u zelf lief, zodat u God kunt liefhebben boven alles en uw naaste als uzelf ! 

Amen. 

| in Preek van de week.