6 oktober 2019

 

Lezing: 1 Samuel 24
Voorganger: ds. Hetty Boersma, Gramsbergen

Preek naar aanleiding van 1 Samuel 24

Ooit is Saul een kleine jongen geweest. Een baby, zacht en roze. Gekoesterd door zijn moeder en vader. Toen Saul door Samuel als koning werd aangewezen verstopte hij zich – bang en onzeker als hij was – zich tussen de bagage. Koning, wat, wie ik? Dat kan nooit! Maar de profeet wist het zeker. Saul was Gods uitverkorene. En om dit te bezegelen zalfde de profeet Sauls hoofd met olie. Vanaf dat moment was Saul de gezalfde Gods. De kleine jongen van toen is inmiddels uitgegroeid tot een kerel die met kop en schouders boven anderen uitsteekt. Maar zijn lengte maakt Saul in eigen ogen nog niet groot genoeg. Daarom kiest hij drieduizend van zijn beste mannen uit. Samen met hen is hij wel sterk, onverslaanbaar zelfs, als was hij de reus Goliat. En dat is nodig want niet alleen de Filistijnen, vooral zijn concurrent David moet uitgeschakeld worden.

Als ik lees over Saul dan zie ik een beer van een vent voor me. Hij kijkt boos en strijdlustig. Nergens in zijn gezicht is nog maar iets te bekennen van het roze en zachte van zijn eerste levensjaren. Een bullebak is hij, een geweldenaar, gedreven door ongenuanceerd vijand-denken. Soms lijkt hij zelfs wel niet goed bij zijn hoofd. Wíj kennen types als Saul ook in onze tijd. En stiekem denk ik dan wel eens: was hij – heel soms is het een zij – was hij maar dood. Zelf zou ik het niet doen, daarvoor ben ik te laf, maar als er een activist, terrorist of huurmoordenaar zou komen die deze vreselijke vent omlegt, dan zal ik er geen traan om laten.

Ooit is Saul een kleine jongen geweest, een godsgeschenk, een kwetsbaar kind, drinkend aan de borst van zijn moeder. Maar dat is Saul vergeten of hij heeft het diep, heel diep weggestopt op een verborgen plek in zijn binnenste. Want nu is hij koning. Hij moet een land regeren, een vijand bestrijden.

Niet lang nadat hij tot koning is gekroond, maakt Saul een fout. Hij gaat tegen de wil van God in. Dat is de reden waarom Samuel al snel na Sauls aantreden diens aftreden aankondigt. Een grote klap voor Saul. Om zichzelf te troosten haalt hij een harp spelende en dichtende herdersjongen in huis, David. Die wordt zijn wapendrager. Maar al snel blijkt dat David in de strijd tegen de Filistijnen veel succesvoller en populairder is dan hij. De mensen roepen: Saul verslaat zijn duizenden, David zijn tienduizenden.

En zo wordt Saul bang én jaloers. Want wie is hij nog als hij geen koning meer is. Wat blijft er van hem over? Wie ziet hem dan nog staan? Wie kent hem? Saul wil niet over deze angst nadenken. Hij wil de angst ook niet echt voelen. Hij wil het niet en hij kan het niet. En dus houdt hij zich groot. Koste wat het kost.

Maar ja, ook iemand die zich groothoudt, iemand die voor niets en niemand door de knieën gaat, moet wel eens zijn behoefte doen. In het Hebreeuws staat het er niet zo letterlijk. Er staat dat hij achter een muurtje zijn voeten bedekt. Je ziet het voor je. Saul met de billen bloot, zijn broek tot aan de enkels, over de voeten. Hij kan geen kant op. Het is menselijk en normaal en ergens weet je: in deze hoedanigheid verschil ik nauwelijks met die kwetsbare baby die ik ooit was.

Deze gedachte helpt mij wel eens in ingewikkelde situaties. Ik moet in gesprek met iemand die veel macht heeft of die agressief op mij overkomt of iemand die veel slimmer en wijzer is dan ik. Dan stel ik me deze persoon voor als hij of zij op het toilet zit. Dat maakt hem of haar minder eng, menselijker. En mij zelf trouwens ook. Zo ben ik beter in staat om gewoon met die ander te gaan praten.

Je kunt natuurlijk ook gebruik maken van iemands kwetsbaarheid. Je kunt een compromitterende situatie ook filmen en op facebook zetten. De geheimen van je opponent aan de media doorspelen en zo de verkiezingen proberen te winnen. Davids mannen zien in Sauls naaktheid dé kans om zelf een flinke stap omhoog te zetten op de maatschappelijke ladder. Want als Saul dood is, zijn zij meteen de lievelingen van de nieuwe koning.

Met al deze reële gevaren is er dus genoeg reden om achter een gesloten deur onze behoefte doen. Er is genoeg reden om de tere gebieden van onze ziel niet te grabbel gooien. Want juist daar waar onze huid dun is, daar waar ons bloed dicht aan de oppervlakte stroomt, waar we ons hart voelen kloppen… juist daar raken we, zijn we ook snel gewond. We hebben een slot op de deur nodig, bescherming, een verdedigingsmuur, afweergeschut…om hoe dan ook te voorkomen dat iemand met zijn laarzen of naaldhakken op onze ziel komt staan.

Saul beschermt zijn ziel met zijn grote mond en legermacht, zoals hij zijn blote billen beschermt met een muurtje. En laat David zich nu juist hier te hebben verscholen! Als Saul dit had geweten, dan zou hij nooit zijn broek hebben uitgedaan. Maar hij wist het niet. En dus toont hij zich ongewild aan degene waar hij zo bang voor is en die hij haat.

David en zijn soldaten zien op dat moment hetzelfde. Ze zien Saul in zijn meest tere gedaante. Maar de soldaten zien in deze gedaante in de eerste plaats een vijand die uitgeschakeld kan worden. David daarentegen ziet in deze gedaante een schepsel van God, een gezalfde, een heer, een koning. God verhoede dat hij zijn hand tegen zo iemand zal opheffen.

O, dat ook wij leren om met zulke ogen naar onze vijand te kijken. Zoals David het ons voordoet, en zijn achter achter achter kleinzoon Jezus. Opdat het kwade door het goede wordt overwonnen.

Ja, David laat zich hier aan ons zien als de voorvoorvoorvader van Jezus, de Messias. Maar de Messias zelf is David niet. Want wat zou het mooi en goed geweest zijn als David Saul de tijd had gegeven om zelf te ontdekken wat er aan hem is gebeurd. Saul zou dan op een goed moment in de gaten hebben gekregen dat zijn jas kapot was. En langzaam zou het dan bij hem zijn gaan dagen. Hij zou zich die andere kapotte jas herinneren, die van de profeet Samuel. Die had gezegd dat het gedaan was met zijn koningschap. Saul had zich toentertijd aan de profeet vastgeklampt, waardoor diens jas kapotscheurde. Nu zou hij beseffen: wat Samuel toen zei. Dat is dus waar. Ik kan geen koning meer zijn. Ik ben zelfs geen koning meer. Maar ik leef nog wel. Ja David heeft het koningschap van me afgescheurd. Maar mijzelf heeft hij laten leven…

Maar zo is het niet gegaan. David heeft Saul niet zelfstandig laten ontdekken hoe het met hem gesteld is, als koning en als mens. Integendeel zelfs. David wrijft Saul het door hem afgesneden stuk mantel onder de neus. Haarfijn en uiterst gedetailleerd legt hij Saul uit dat hij hem heeft gespaard. David heeft gelijk. Dat weet Saul, dat weet de lezer ook. Maar het zou zo veel mooier en beter zijn geweest als Saul zelf tot inzicht, tot inkeer zou zijn gekomen. Nu duwt David hem de waarheid bijkans door de strot.

En eerlijk gezegd vind ik dat David zichzelf daarmee verheft. Hij vernedert zijn heer en koning. Ja hij spreekt Saul aan als vader en daarmee drukt hij zich respectvol uit. Maar tegelijk wekt hij met het woordje ‘vader’ de indruk dat hij de erfgenaam is van Sauls kroon en troon. En hoe mooi en waar Davids woorden ook zijn…het is toch ook een beetje: kijk mij eens met een stukje van jouw jas staan…lekker puh.

Het is een valkuil waarin je zomaar terecht kan komen. Je kiest voor het goede, voor een manier van leven die volgens jou moreel juist is. Je wordt vegetariër, laat de sigaretten staan of stopt met verre reizen, je wordt vrijwilliger bij de sportclub van je zoon. En wat is het dan verleidelijk om de mensen die dat allemaal niet doen uit te sluiten, af te schrijven, weg te zetten of voor paal te doen staan. Ik vind dat David dit een beetje doet. Hij kiest het goede, maar door de manier waarop David dit uitvent staat Saul toch in zijn hemd. De ware Messias Jezus doet dat niet. Hij gaat met iedereen aan tafel, ook met de farizeeërs, tollenaars en andere zondaars. En tijdens de maaltijd duwt hij zijn tafelgenoten de waarheid niet door de strot, maar komen zij zelf tot inkeer, beslissen ze zelf om anders te gaan leven.

Hoewel de tranen van Saul door David afgedwongen zijn, grijpen ze de lezer toch aan. Mij in ieder geval wel. Ik zie geen bullebak meer voor, maar een man die kind is geweest en nog steeds geborgenheid nodig heeft, vergeving en liefde. Hoe kostbaar is een kwetsbaar mens. Uiteindelijk zal Saul sterven, maar niet door het toedoen van zijn opvolger David. En bij het horen van dit bericht zullen ook Davids tranen vloeien. Omdat Saul een koning was, weliswaar gevallen, maar toch een koning, een gezalfde. Omdat Saul een mens was, een kind van God. amen

 

| in Preek van de week.