30 december 2018

 

Lezingen: Lukas 2: 22 t/m 35     1 Cor.12: 12 t/m 27
Voorganger: ds. H. Katerberg, Borger

Lieve mensen van God,
Jonge ouders vinden het doorgaans prettig
wanneer hun pasgeboren kindje door het bezoek wordt geprezen,
omdat het er altijd toch zo schattig, lief en nog onschuldig uitziet.
Hun verwondering om het nieuwe leven is heel groot 
en die verwondering willen ze graag delen.
Die verwondering is voor mijn gevoel de omlijsting van de hoop:
de hoop dat een nieuwe, betere wereld mogelijk moet zijn.
Elk kindje heeft toch altijd iets van een kerstkindje,
alleen omdat het een kindje is, zo puur, zo kwetsbaar, zo echt.
En natuurlijk weten ze wel dat er van alles mis kan gaan.
Dat het kindje misschien wel een rugzakje kan hebben.
Dat er een ongeluk kan gebeuren of dat het ziek kan worden.
Of dat het later verkeerde keuzen gaat maken.
Of dat het een vluchtelingenkind zou kunnen worden vanwege armoe of oorlog.
Dat weten ze allemaal, maar daar willen ze even niet aan denken.
Ze willen de droom zolang mogelijk vasthouden en gelukkig zijn.
gewoon domweg gelukkig blíjven, dat willen ze.

Nee, hun kind hoeft niet de hemel in geprezen te worden,
het hoeft ook helemaal geen bijzonder kind te zijn. 
Maar als er gezegd zou worden: dit kind van jullie
zal velen onderuit halen als het eenmaal groot is geworden, 
nou dan weet ik niet meer zo zeker
of de ouders daar wel blij mee zouden zijn.
Ook niet, als er eerst gezegd is dat het veel anderen
weer overeind zal helpen en redden uit grote moeilijkheden…..
Je wilt niet dat je kind het moeilijk zal krijgen, dat het ánders is
en al helemaal niet dat het mensen in moeilijkheden brengt 
en crisissituaties veroorzaakt, toch?


Precies dat krijgen Jozef en Maria wél te horen over hun kind, Jezus,en wel bij monde van ene Simeon, als ze in de tempel zijn
om daar hun eerstgeboren zoon aan de Heer te wijden en om 
het daarbij behorende offer van de armen te brengen: twee duiven.
Hij zal het nodige teweeg brengen, lief moedertje, zegt Simeon,
hij zal geweldige dingen doen, maar wees niet alléén maar zielsverheugd….
Er zal op een dag als het ware zelfs een zwaard door je hart gaan,
omdat hij dingen aan het licht brengt; omdat hij een omstreden figuur wordt en om wat ze allemaal met hem zullen gaan doen.

Jezus ís anders, als kind al, vertelt Lukas, hij is begiftigd met wijsheid.
Dat lijkt misschien mooi, maar is het dat ook?
Ja, je wilt je als ouders graag dat het goed kan leren, je kind.
Dat het later een goede plek in de maatschappij vindt.
Je wilt ook dat het meedoet met de anderen,
dat het vriendjes heeft of vriendinnetjes en er gewoon lekker tussen zit.
Maar begiftigd met wijsheid? Nou dat weet ik niet hoor….
Je kind moet ook weer niet al tevéél opvallen,
dan staat het ook maar helemaal alleen en juist dat wil je niet.

Nee, anders-zijn is vaak moeilijk.
Anders-zijn omdat je anders bent dan de meesten,
bijvoorbeeld omdat je een handicap hebt, of niet mee kunt komen,
of omdat je, precies andersom, misschien wel hoogbegaafd bent;
of omdat je ontdekt dat de meesten een andere kleur hebben
of omdat je als jongen op jongens valt in plaats van op meisjes,
dat is in het begin heel erg moeilijk en het kost vaak veel tijd
om het te accepteren en er voor uit te komen.

Anders zijn omdat je ouders een ander geloof hebben,
of zelfs omdát ze een geloof hebben, want wees nou eerlijk:
welk modern denkend mens heeft dat nou nog, een geloof-,
ook dat kan heel erg moeilijk gevonden worden.
Ik vond het in elk geval wel moeilijk, dat we anders waren, vroeger, thuis.
We waren anders dan de meesten omdat we naar de kerk gingen.
Omdat we gelovig waren en naar een christelijke school gingen.
Als ik mijn moeder, vroeger als kind, vroeg
waarom we niet mochten schaatsen of fietsen op zondag-
en ik kan u verzekeren dat het daar niet bij bleef,
dan was haar antwoord steevast: ja, dat weet ik ook niet hoor, wij zíjn zo.
Gelovig zijn hield een bepaalde, min of meer afgesproken code in,
een code van dit doen wij wel en dat doen wij niet.
Vooral niet op zondag en vóór het huwelijk…
Wij zíjn zo! Wij zijn anders dan de mensen van de andere kant.
Ja, daar moest ik het mee doen en ik vermoed dat er meer in de kerk zijn
die dat vroeger ongeveer zo hebben meegemaakt.

Anders zijn roept vaak ook ergernis op bij buitenstaanders.
Om de één of andere reden pikt de meerderheid anders-zijn niet.
Toen Nederland nog grotendeels een christelijk land was,
hadden de anderen zich maar aan te passen en de christelijke normen.
Dacht u dat niet-christelijke boeren op zondag wel naar het land gingen
als het weer hun daartoe noopte? Nou mooi van niet hoor.
Nee, ze pasten zich vaak mokkend aan bij de christelijke meerderheid.
En van wie zich niet hield aan het zondagsrustgebod werd schande gesproken.
Nu is het precies andersom: wie zich nu al te zeer manifesteert als christelijk,
of Islamitisch, wordt uitgelachen of tenminste meewarig bekeken.

Echte pluraliteit, het echt naast elkaar leven van christenen, joden,
moslims, agnosten en atheïsten, is kennelijk heel moeilijk.
Zolang we dat allemaal in afzondering doen, prima hoor.
Maar op straat, in het openbare leven moeten we allemaal gelijk zijn.
Dat is het meest ongevaarlijk en het minst bedreigend.
Daarom moeten godsdienstige uitingen ook weg uit het openbare leven.
Het ontbreekt er nog maar aan dat de kinderen straks allemaal weer in uniform naar school gaan.

Anders-zijn is ook vaak bedreigend.
Voor de minderheid die anders is zelf in de eerste plaats.
De meerderheid heeft al gauw het idee dat haar opvattingen de juiste zijn,
alleen al omdat de meerderheid van de mensen erin gelooft.
Die mening wordt de minderheid opgedrongen omdat ook de meerderheid bang is:
bang dat ze aan de leiband van nu nog een minderheid moeten gaan lopen.
Die dreiging kan zo groot worden dat er vervolging ontstaat.
Zoals van de Joden in heel de mensengeschiedenis,
maar ook zoals van de christenen, vroeger en nog steeds,
denk maar eens aan Islamitische landen, zoals Iran en Saoudie Arabië.
De grote vraag is dan: hoever gaat in die situatie het ‘anders zijn’?
Moet je je, om te overleven in een bepaalde vijandige cultuur,
dan maar helemaal assimileren, aanpassen, en al de uiterlijke
kenmerken van je godsdienst overboord zetten?
Ja, anders zijn, anders moeten zijn is een moeilijke zaak.

Het moge duidelijk zijn dat het kindje Jezus geen gewoon kindje zal worden.
Hij gaat zich niet aanpassen aan de meerderheid.
Hij gaat het ook niet op een akkoordje gooien met de machthebbers,
om naast zijn idealen toch ook zelf nog een leven te hebben.
Nee, hij gaat de weg van de liefde in uiterste radicaliteit.
Hij gaat om met de minsten van de mensen en hij gaat ze rechtop zetten.
Hij gaat de weg van de meeste weerstand.
Hij zal conflicten teweeg brengen omdat hij de minsten hoop geeft.
Omdat Gods liefde voor mensen geen grenzen kent.
Eén van de conflicten die hij nog steeds teweeg brengt zien we hier vooraan.
Waar op lege stoelen speelgoed ligt. Symbolisch bestemd voor kinderen.
Kinderen die hier vaak al jaren wonen maar weg moeten.
Terug naar hun land van herkomst, dat ze veelal niet wil hebben.
Kunt u zich voorstellen dat Jezus zou zeggen: ja allemaal goed en wel,
maar die kinderen horen hier niet, stuur maar weg? Ik niet.
Riep hij niet juist de kinderen bij zich toen zijn leerlingen ze weg wilden sturen?
Toch zijn er ook christenen die achter de regering blijven staan
en er is dus een diepe scheur aan het ontstaan, ook onder ons.
Wat moeten we? Hoe anders moeten we eigenlijk zijn,
ja móeten we wel zo nodig anders-zijn op dit punt?

Als gelovig-zijn niet vooral betekent ‘dat er wel iets zal zijn’,
maar als het in de eerste plaats gaat om navolging,
om de navolging van Christus, zoals dat vroeger heette;
als het gaat om een zich toevertrouwen aan zijn liefde voor mensen;
en dat denk ik, dan zou er toch iets van ‘anders-zijn’
aan christenen te zien moeten zijn.
Iets anders dan alleen dat ze zondags naar de kerk gaan bedoel ik.

Ook Paulus heeft te maken met het anders-zijn van christenen.
In zijn brief aan de Corinthen heeft hij het over de grote verschillen
die er bestaan in de gemeente van Corinthe.
Er zijn daar gelovigen afkomstig uit de kring van de Joden,
maar er zijn ook Grieken die gelovig zijn geworden en vóór hun bekering
moesten Joden en Grieken niet al teveel van elkaar hebben.
Daarnaast waren er gelovigen die slaaf waren – u moet zich een samenleving voorstellen waar maar één op de twintig mensen vrij was-
én er waren vrije burgers, met slaven in dienst.
Nou, ik geef het je te doen. En het wás ook een enorme klus.
Paulus heeft er zijn handen vol aan.
Wat hij de mensen daar op het hart druk is dat ze één lichaam zijn.
En een lichaam kan niet zonder één van zijn ledematen.
De één is sterk, de ander zwak, maar je hebt elkaar nodig.
En elk lichaamsdeel heeft zijn eigen, even belangrijke taak.
En je zorgt samen speciaal voor de meest kwetsbare ledematen.
Maar je blijft één lichaam, ondanks alle verschillen.
Die verschillen tussen de mensen worden niet meer als een bedreiging,
maar juist als een verrijking beleefd en als gaven ingezet, door Paulus.
Precies daarin komt de liefde van Christus voor de minsten weer naar voren.

Als dit anders omgaan met verschillen tussen mensen
inderdaad de kern uitmaakt van wat ons maakt tot gemeente van Christus,
van ons ‘anders-zijn’ in deze wereld, dan wacht ons mogelijk een schone taak.
Want ik ben geen profeet, maar ik acht het niet onmogelijk
dat de druk van het gelijkheidsdenken in onze samenleving,
een druk die voortkomt uit angst voor vreemdelingen,
dat die druk de komende jaren nog wel eens veel sterker zou kunnen worden.

Laat dit land, ons mooie Nederland een plek mogen zijn
waar mensen zich niet angstig voor elkaar terugtrekken
of waar ze geweerd worden omdat ze anders-zijn, anders geloven,
anders leven dan wij en daarom geacht worden niets bij te dragen.
Maar waar ze worden uitgenodigd hun eigen gaven te ontplooien
tot opbouw van dat ene lichaam dat een samenleving is.
Laat de kerk, levend van vertrouwen, daarin voorop mogen gaan.
In het ruimte geven aan mensen, hoe verschillend ook,
want ook wij zijn natuurlijk bang voor alles wat anders is.
Dát is wellicht de heilige opdracht voor onze dagen.
Laat het de kerk van Jezus Christus mogen zijn die pal staat
voor die asielkinderen die hier vaak al jaren zijn maar ondanks alles
weer terug moeten naar het land van herkomst waar ze niet welkom zijn.
En waar ze nauwelijks of geen toekomst hebben.
Ook als er daardoor conflicten ontstaan onder ons,
conflicten die rechtstreeks zijn terug te voeren op die man uit Nazareth,
geboren te Bethlehem, die niet probeerde zichzelf te redden,
maar zelfs aan het kruis bleef opkomen voor de minsten.
Die man, Jezus onze Heer, was anders en bleef anders.
Hij stond voor zijn zaak en blééf daar voor staan.
Om zo kind van het licht te zijn, waar mens, zoon van God.

Dat ook wij, om Jezus wil, zullen worden waartoe we geroepen zijn,
midden in de crises van deze wereld: kwetsbare kinderen van het licht.
Mensenkinderen die één lichaam vormen waarvan niemand gemist kan worden.

Want allen de rijst die we samen eten , voedt.
Alleen het water dat we samen drinken, lest onze dorst.
Allen de strijd die we samen voeren brengt bevrijding.
Alleen de pijn die we samen delen is draaglijk.
Alleen de kleren die we samen delen maken mooi.
Alleen de weg die we samen gaan leidt naar het doel.
Alleen het doel dat we samen stellen is bereikbaar.
Alleen de vrede die we samen maken wordt wereldwijd.
Samen!

Amen.

1

| in Preek van de week.