28 juli 2019

 

LEER ONS BIDDEN

preek over Luc. 11: 1-13
voorganger: ds. H. Rooze, Hoogeveen

Broeders en Zusters,

   “Heer, leer ons bidden”, vroegen de leerlingen aan Jezus. Je vraagt je af: hoezo, konden ze dat dan nog niet? Ze zullen toch ongetwijfeld van huis uit met het gebed vertrouwd zijn geweest, ze moeten het geleerd hebben van hun vader en moeder, en ze zullen toch ook in de synagoge geregeld aan het gebed hebben deelgenomen. Hoe komen ze dan tot deze vraag: Heer, leer ons bidden? Ik denk dat het te maken heeft met het besef dat de situatie gewijzigd is. Vraagt een nieuwe situatie niet om een nieuw gebed? Hetzelfde tref je ook aan in Paulus’ brief aan de gemeente van Rome: “Wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren”. Ook al wisten we het voorheen wel, of meenden we het te weten – na Christus is de situatie niet meer dezelfde als vóór Christus, en dus is het de vraag of ook ons gebed dan niet op de helling moet. “Het koninkrijk van God is nabijgekomen”, zo luidde Jezus’ boodschap. En dat maakt ons een beetje verlegen, we zitten met de handen in het haar: wat betekent dat voor ons gebed, dat het koninkrijk van God nabij is?

  Pas op, dat hoeft helemaal niet te betekenen dat alles nu per se anders moet. Het oude gebedenboek van Israël, het boek der Psalmen, is in de christelijke kerk altijd in hoge ere gebleven, en zo hoort het ook. Het nieuwe dat Christus brengt betekent niet een streep door het oude, het is wel de voortzetting en vervulling ervan. En dat geldt ook van het nieuwe bidden. Het gebed dat Jezus zijn leerlingen leert, het Onze Vader, betekent niet de afbraak van het oude bidden van Israël. Het sluit er integendeel bij aan, en stelt het op scherp, zoals Jezus’ gebod Israëls geboden op scherp stelt.

   Je zou de vraag ook zo kunnen stellen: hoe ver durven we gaan in ons gebed? Kun je zomaar alles van God vragen, of zijn er ook dingen die je niet vragen mag? Zijn er misschien dingen die ook voor God te veel gevraagd zijn? Daarover heeft Jezus het in het gedeelte dat we zo juist gelezen hebben. En wat Jezus daar aan ons verstand wil brengen is: durf te bidden – en dat betekent: durf erin te geloven. Durf te bidden, dat is: durf te geloven dat het goed komt. Dat het goed komt met jou – en dat het goed komt met de wereld. Het nieuwe bidden dat Jezus ons leert staat in het teken van deze lef, van deze stoutmoedigheid, om niet te zeggen vrijpostigheid. In dat teken staat het Onze Vader, en het verhaal dat Jezus erbij vertelt onderstreept het nog eens. U kent allemaal ongetwijfeld de oude slogan: mens, durf te leven. Jezus maakt daarvan: mens, durf te bidden. En wie weet is dat uiteindelijk wel hetzelfde.

   Het is een wat vreemd verhaal, maar dat zijn Jezus’ verhalen wel vaker. Dat komt omdat het evangelie zelf een vreemd verhaal is: “wat geen oog heeft gezien en geen oor gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen…”. Goed, Jezus vertelt: stel, er wordt zomaar midden in de nacht bij je aangeklopt. Je komt je bed uit en loopt naar de voordeur, en daar staat een oude vriend van je. Hij heeft een lange reis achter de rug en hij is uitgehongerd. Of je misschien ook wat te eten hebt? … Nou, je gunt het hem van harte, maar je hebt toevallig helemaal niets meer in huis – en het is nacht, dus de winkels zijn dicht. Wat moet je nou? Het enige wat je kunt doen is: bij de buren aankloppen – en nu gaan we er even vanuit dat die buurman ook een vriend van je is. Dus het enige wat erop zit is: de buurman uit zijn bed bellen: vriend, leen mij drie broden, ik zit namelijk vreselijk omhoog, want zo en zo. Zou je het doen? Ik denk dat menigeen er wel tegenop zou zien: kun je dat wel maken, zo in het holst van de nacht? Maar aan de andere kant, je kunt die gast van je ook niet met zijn lege maag laten zitten.

   Een moeilijk dilemma. Zo heeft ieder mens wel bepaalde dingen, die hij eigenlijk niet durft te vragen, ook niet aan God. Met God heb je dat probleem wellicht nog een beetje meer: zou God zich werkelijk interesseren voor mijn menselijke beslommeringen? Soms voel je je tegenover God een beetje als de man in dit verhaal tegenover zijn buurman. Hij zal zich wel vreselijk gegeneerd hebben, en als hij uiteindelijk dan toch aangeklopt heeft, dan heeft hij dat vast gedaan met een bonzend hart, en hij zal zijn vraag zeker met duizend excuses hebben omringd.

   Maar nu heb ik Jezus’ gelijkenis met opzet verkeerd verteld. Jezus vertelt het verhaal namelijk andersom: stel je voor dat jij die buurman bent. Je ligt ’s nachts heerlijk te slapen, en plotseling word je wakker. Iemand staat buiten aan de deur te kloppen, wie weet hoe lang al. Je roept ontstemd: wie is daar? Het blijkt de buurman te zijn. Neem me niet kwalijk dat ik je even stoor, roept hij, maar zou je me alsjeblieft drie broden kunnen lenen? Ik zit namelijk vreselijk omhoog, want ik heb onverwachts bezoek gekregen, enzovoorts. Wat zou jij doen als jij die buurman was? Zou je zeggen: man, hoe durf je? Ik lig allang op bed en mijn kinderen liggen te slapen – je bekijkt het maar! Nee, natuurlijk doe je dat niet, zo ben je niet. Natuurlijk sta je op en je geeft hem die broden. Je doet het omdat buurman tevens een goede vriend is, die je niet graag wilt teleurstellen. En zelfs al ben je een beetje geïrriteerd, dan nog zou je het doen om zo gauw mogelijk van hem af te zijn en rustig verder te kunnen slapen.

   “Om zijn onbeschaamdheid zou hij het hem geven”, zegt Jezus. Het spreekwoord zegt: de brutalen hebben de halve wereld. Gelukkig gaat dat spreekwoord bij God niet op, Jezus heeft ons geleerd dat niet de brutalen maar de zachtmoedigen de aarde zullen beërven. Maar zachtmoedigheid is niet hetzelfde als valse bescheidenheid. Zachtmoedigheid sluit lef niet uit. Mens, durf te bidden! Durf maar een beetje onbeschaamd te zijn, heus het mag. Vraag maar: zelfs al zou God het je niet geven omdat je zijn vriend of vriendin bent – en dat ben je! – dan zou Hij het je geven om je onbeschaamdheid. Want als het om bidden gaat, gaat de regel, dat de brutalen de halve wereld hebben, wél op. “Het gebed van de rechtvaardige vermag veel” – en rechtvaardig bij God, dat ben je in Christus Jezus zomaar, zelfs al weet je jezelf een grote zondaar.

   En zo komt Jezus tot zijn eindconclusie: “Bidt en u zal gegeven worden, zoekt en ge zult vinden, klopt en u zal opengedaan worden.” Mag ik u eens een gewetensvraag stellen: gelooft u dat werkelijk? Wat mijzelf aangaat moet ik zeggen: eerlijk gezegd weet ik het niet zo zeker. Maar Jezus houdt vol, en wederom vraagt hij ons: hoe zou je zelf zijn? Stel dat het nu eens niet je buurman is die vraagt, maar je eigen kind. Als je kind je om een vis vraagt, zou je hem dan een slang geven? En als hij je om een ei vraagt, geef je hem dan een schorpioen? Slangen en schorpioenen, dat zijn beesten die kunnen bijten – hun beten kunnen heel pijnlijk zijn, soms zelfs dodelijk. Je zou wel een heel rare vader of moeder zijn als je dat aan je kinderen gaf. Ook al was je nog zo slecht, maar dat zou je in elk geval toch niet doen! Nu zijn wij toevallig niet slechts Gods vrienden, we mogen zelfs zijn kinderen zijn. Wat denken we eigenlijk wel van Hem, dat Hij niet het goede met ons voor zou hebben?

   Dus God geeft ons alles wat we vragen? Wacht even, we hebben Jezus nog niet helemaal laten uitpraten. “Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader uit de hemel … de Heilige Geest geven aan die Hem bidden.” Wacht eens eventjes – de Heilige Geest – maar daar hadden we helemaal niet om gebeden! Welk mens bidt er nu om de Heilige Geest? Uit zichzelf zou niemand op het idee komen daarom te vragen. Dus nee, God geeft ons niet wat we vragen, tenminste niet altijd. Dat doet een vader of moeder tenslotte ook niet: als uw kind de hele dag om snoepjes zeurt, dan zegt u ook wel eens nee. Zo geeft God ons ook niet altijd wat we vragen: Hij geeft ons namelijk méér. Hij geeft ons soms wat we niet eens kúnnen vragen, omdat we het bestaan ervan zelfs niet weten – en daarom schrijft Paulus in zijn brief aan de Romeinen: wij weten niet wat wij moeten bidden naar behoren. God geeft ons dingen waarvan we niet eens wisten dat ze bestonden. Een voorbeeld uit de Bijbel: Paulus bad om genezing van zijn kwaal, maar God zei tot hem: mijn genade is u genoeg. Hij bad om genezing en hij kreeg genade – wat oneindig veel meer is. En zo gaat het vaak bij God. Wij bidden om brood, Hij schenkt ons hemels brood. Wij bidden om leven, Hij schenkt ons eeuwig leven. Wij bidden om vrede, Hij schenkt ons een vrede die alle verstand te boven gaat. Samenvattend: Hij geeft ons de Heilige Geest – en als je de Heilige Geest hebt, dan heb je alles; alles wat een mens wensen kan. Want de Heilige Geest betekent dat je de moed niet verliest, dat je ook in moeilijke omstandigheden de hoop vasthoudt; de Heilige Geest betekent dat je in alle omstandigheden godzalig leven en sterven kunt.

   Begrijp me goed, dit betekent niet dat we nu niet meer onze eigen verlangens en wensen aan God zouden mogen voorleggen. Bid gerust om wat u maar wilt, om genezing als u ziek bent, om een medemens als u eenzaam bent, om werk als u werkloos bent, om vrede en gerechtigheid op aarde, als het nieuws u naar de keel vliegt . We mogen in alle vrijmoedigheid alles aan God voorleggen. Maar denk niet te gauw dat God je niet verhoort. Ook al lijkt het misschien soms zo, God geeft ons nooit minder dan we gevraagd hebben, alleen maar méér. Boven bidden, boven denken. Om met Paulus te spreken: “Weest in geen ding bezorgd, maar laten in alles uw wensen in bidden en smeken met dankzegging bekend worden bij God – en de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behouden in Christus Jezus”.

   Inderdaad, sinds Christus is een nieuwe situatie ontstaan. Het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Dat betekent hoop, verwachting voor de wereld, hoe ellendig het er soms ook uitziet. Het betekent vrede, een vrede waar geen mens van had kunnen of durven dromen. Eenmaal zal die vrede voorgoed op aarde neerdalen, en in afwachting daarvan kan die vrede van God nu al op mensenharten beslag leggen. Daarom, mens, durf te leven. En het tweede, daaraan gelijk, is: mens, durf te bidden. Als je een voorbeeld wilt hebben van wat zo’n gebed inhoudt, dat helemaal in het teken van het komend koninkrijk staat: het allermooiste voorbeeld is dat wat Jezus zelf ons leerde, het Onze Vader.

Amen.

Gezongen werd:      Ps. 65: 1,2

                                   Lied 301h (Kyrie)

                                   Lied 302 (Gloria)

                                   Lied 450: 3 (na lezing Filipp. 4: 4-7)

                                   Lied 894 (na lezing Luc. 11: 1-13)

                                   Ps. 107: 20

                                   Lied 370

 

| in Preek van de week.