26 november 2017, Eeuwigheidszondag

 

Tekst: 2 Koningen 2,1-18
Voorganger: ds. Hetty Boersma

Beste mensen, geliefd door de Eeuwige, Vader, Zoon en heilige Geest

,,Blijf jij maar hier’’. Tot drie keer toe zegt Elia dit tegen zijn leerling Elisa. De Heer wil dat Elia op weg gaat van Gilgal naar Betel, van Betel naar Jericho en van Jericho naar de Jordaan. Het is een lange, moeilijke weg die voor hem ligt. Een weg die zowel letterlijk als figuurlijk naar beneden loopt, bergafwaarts. Het is een weg die daalt – dieper en dieper – tot op de ultieme grens, die van de dood. Elia beseft dat. Elisa net zo goed. En beiden weten ook dat deze weg niet voor hen allebei is bestemd. Ja, voor Elia geldt dat zijn tijd op aarde voorbij is. Maar voor Elisa geldt dat niet.

Daarom zegt Elia tegen hem ,,Blijf jij maar hier.’’

Maar Elisa zegt: ‘Zo waar de HEER leeft, en zo waar u leeft, er is geen denken aan

dat ik u alleen laat gaan.’ Wat maakt dat Elisa dit zegt? Wat maakt dat Elisa dit doet?

Elisa is nog niet zo lang de leerling van de grote profeet. Eerder was hij boer. Maar op een dag, terwijl hij aan het ploegen was, kwam de profeet langs en om zomaar onverhoeds zijn mantel over Elisa heen te gooien. Zonder iets te zeggen. Maar dat was ook niet nodig. Elisa begreep wat er gebeurde. Hij begreep dat er een tijd zou komen dat hij die mantel zou gaan dragen, dat hij het werk van deze profeet zou overnemen. Sindsdien volgt hij Elia op de voet. Er valt veel van hem te leren.

Maar blijkbaar is de leertijd voorbij. De tijd is gekomen dat de HEER Elia in de hemel opneemt. En op een of andere manier lijkt het alsof de tijd voor Elisa wat vroeg komt. Hij is er nog niet klaar voor. Hij heeft zijn meester nog zo nodig. Hij kan als profeet en als mens nog niet op eigen benen staan. Hij kan nog niet loslaten. Integendeel zelfs. Hij klampt zich aan Elia vast.

Toch ben ik er zeker van dat er ook een andere kant is aan Elisa’s vasthoudendheid, aan zijn bereidheid om Elia niet alleen de weg naar beneden te laten gaan. Elisa is gehecht aan zijn leraar. Daarom wil hij hem op de laatste etappe van zijn levensreis niet in de steek laten. Misschien kan hij hem nog ergens bij helpen. Misschien kan hij – ook al kost het moeite – Elia steunen, gewoon door aan zijn zijde te blijven, door bij hem te zijn.

Beide bewegingen zijn begrijpelijk en invoelbaar. Je zit naast iemand die stervende is. Je zit er omwille van die ander, je zit er omwille van jezelf. Soms weet je niet eens waarom je er zit. Je bent erbij…omdat dat voor jou nu de enige manier is.

Hoe dan ook. Elia gaat de weg die de HEER hem wijst. En Elisa gaat met hem mee. Ook nu. Juist nu. Samen zijn ze en toch ook apart. Want je kunt elkaar zien, je kunt naast elkaar gaan, met de ander mée gaan, maar je kunt niet de ander zíjn. Zo interpreteer ik ook de afbeelding op de voorkant van de liturgie. Twee mensen onderweg. Ze zijn nadrukkelijk samen. Maar de rechter figuur is ook al aan het verdwijnen. Zijn hoofd is al onttrokken aan het zicht. Ergens is deze persoon al ergens anders, in die andere wereld, tot voorbij de Jordaan.

Behalve geliefden en intimi zijn er ook andere mensen: omstanders, verre familieleden, buren, kennissen. In dit verhaal zijn het de profeten. Er mankeert niets aan hen. Ze bedoelen het goed. Ze maken zich zorgen. Om Elia, maar ook om Elisa. Heeft Elisa wel in de gaten dat Elia’s tijd gekomen is? Stopt Elisa zijn hoofd in het zand? Is hij ziende blind? Zit hij wat betreft het komende afscheid in de ontkennende fase? Het zijn vragen die geen antwoord behoeven. Wij hóeven Elisa niet precies te begrijpen. En de profeten hoeven het ook niet. In ieder geval is het duidelijk dat Elisa niet verlegen zit om advies of goedbedoelde opmerkingen of tips. Zeg maar niets, zegt Elisa tegen de omstanders.

En laat dat nu net zo moeilijk zijn. Niets zeggen. Er gewoon zijn.

Als Elisa en Elia de rivier de Jordaan bereiken, blijven de omstanders op een afstand staan. Elia weet dat zijn bestemming voorbíj de Jordaan is, voorbij deze grens van leven en dood. Hij wordt geroepen naar het gebied dat níet bij de levenden hoort, maar nog steeds wel bij God. Met hulp van zijn profetenmantel baant hij een weg door het doodswater. En nog steeds volgt Elisa hem op de voet.

Dan vraagt Elia aan zijn metgezel: ,,Wat kan ik nog voor je doen?’’ ,,Laat mij dubbel in uw geest delen’’, antwoordt Elisa. Je zou geest ook kunnen vertalen met adem. Want in het Hebreeuws staat er ruach, dat geest betekent, maar ook adem of wind. Hoewel de precieze zin lastig te duiden is, kunnen we toch aanvoelen wat Elisa bedoelt: hij wenst dat dat wat Elia heeft bewogen, wat hem heeft gedreven, geleid, dat dat ook hém zal bewegen, drijven en leiden.

Misschien hoopt Elisa dat Elia ook op andere manieren zal voortleven; dat hij zich Elia’s woorden zal blijven herinneren, dat hij Elia’s doortastendheid zal erven en zijn andere bijzondere kwaliteiten als profeet Maar op dit ultieme moment gaat het verlangen van Elisa toch nog een spade dieper. Het gaat om de diepste drijfveer van Elia, om dat ene ding dat Elia heeft doen werken, spreken. Om dat wat Elia hem heeft doen LEVEN.

Dat ene is de Geest van God, Gods adem. En die heeft Elia niet in eigendom, niet in bezit. De Geest is niet ván hem, maar van God. Daarom zegt Elia dat hij de geest niet zomaar aan Elisa kan geven.

Maar, zo vervolgt hij, als je ziet hoe ik van je word weggenomen, zal je wens vervuld worden, maar als je het niet ziet, gebeurt het niet. Geliefde mensen, van God. We naderen in deze bijzondere geschiedenis het ultieme moment van afscheid, het moment waarop je bij wijze van spreken de schoenen uit moet doen en op heilige grond komt.

Want wat gebeurt er als jouw moeder, je vader, je geliefde, je kind, je vriend de laatste adem uitblaast? Soms vertellen mensen het me. Heel precies. Van minuut tot minuut. En toch voel ik dat ze tasten en zoeken naar woorden, begrippen, beelden. Want hoe kan je alles wat je voelde, alles wat je zag, alles wat je meemaakte nu uitleggen? Je wilt iets zeggen over het hoe en wat, maar het is bijna te veel. Je wilt vertellen over je verdriet, over de pijn, bij jou en bij die mens die naar de overkant ging. Maar je wilt ook zeggen dat zowel jij als die ander konden loslaten. Je wilt zeggen hoe verscheurd je je voelde en nog steeds voelt, maar je wilt ook vertellen dat het zo goed is. En dat je je onmachtig voelde, maar ook door God gedragen. En dat je merkte hoe apparaten bij het ziekenhuisbed andere cijfers weergaven, maar ook dat het gezicht van je geliefde ontspande.

Elisa ziet een wagen van vuur en paarden van vuur ervoor, een stormwind. Ik denk niet dat velen van ons het zo hebben gezien. Maar laten we het verschil in ervaring ook niet groter maken dan het is. Elisa heeft meegemaakt wat sommigen van ons ook hebben meegemaakt. Elisa heeft Elia naar God zien gaan.

Daar staat Elisa. Alleen. Van verdriet scheurt hij zijn kleren. Hoe moet het nu verder? Aan de overkant van de rivier, in het land der levenden, staan de profeten te wachten. Misschien willen ze Elisa troosten. Misschien hopen ze zelf op een troostend woord van Elia’s opvolger. Elisa weet dat. Net zoals velen van ons met het verstand weten dat ze door moeten. Dat het gewone leven op ons wacht: kinderen, vrienden, vrijwilligerswerk, de kerk. Je bent nodig. Maar wie of wat maakt dat je het gewone leven weer aankunt?

Vlak na het sterven van Elia, staat Elisa met zijn gescheurde kleren in het land van de dood. Maar het land van de dood is niet de bestemming die God voor hem op het oog heeft. Er ligt een mantel voor hem klaar, de profetenmantel van Elia. Elisa raapt de mantel op. En met die mantel staat hij aan de oever van de Jordaan. Dan schreeuwt hij het uit. ,,Waar is de HEER, de God van Elia?’’ Het is een oerkreet, een roep vanuit zijn keel, zijn buik: de leegte van rouw en verdriet. Want Elisa weet dat hij alleen door de Jordaan kan, terug naar het leven, als de Eeuwige met hem mee gaat, als de God van Elia ook voor hem een weg baant, hem Zijn adem geeft, zijn Geestkracht, zijn beweging.

Na dit oergebed slaat Elisa met de mantel op het water. En het water vloeit naar links en naar rechts. Elisa kan oversteken. Naar het land van de levenden. Naar Jericho.

Maar terwijl Elisa Elia en de dood heeft losgelaten, achter zich heeft gelaten, kunnen de omstanders, de profeten dat nog niet. Zij willen zekerheid, bewijs dat Elia er echt niet meer is. Elisa vindt het niet nodig. Een graf of geen graf voor Elia. Een gestorven lichaam. Die zaken zijn voor hem Elisa niet belangrijk. Hij heeft gezien. En dat is genoeg. Genoeg om nu zelf profeet te zijn.

Maar het is wel Elia’s mantel die om zijn schouders ligt.

En het is Gods Geest die hem doet leven.

Zo kan hij doen wat hij moet doen. Zo kan hij spreken, handelen, werken.

Zo kan hij leven. Amen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

| in Preek van de week.