26 mei 2019

 

Lezingen:

Joël 2: 21-27; Johannes 14: 15-31

Voorganger: ds. Dck van der Vaart

Gemeente van Christus,

De evangelist Johannes schreef zijn evangelie in de jaren 90 na de geboorte van Christus. En Jezus’ dood en opstanding vond plaats in de jaren dertig na de geboorte van Christus. Johannes schreef zijn evangelie dus op een moment dat Jezus al zestig jaar niet meer lichamelijk op aarde aanwezig was.

De christelijke gemeente waarvoor Johannes zijn evangelie schreef had het hier moeilijk mee. Hoe kunnen we gemeente zijn zonder de lichamelijke aanwezigheid van onze Heer ? Dat was de vraag waar ze mee worstelden.

In de hoofdstukken 13, 14, en 15 probeert Johannes zijn gemeente een antwoord te geven op deze vraag. Johannes geeft het antwoord in de vorm van gesprekken die Jezus met zijn leerlingen houdt om ze voor te bereiden op zijn afscheid.

Deze gesprekken zijn dus niet alleen een herinnering aan de woorden die Jezus tot zijn leerlingen gesproken heeft maar ook een literair middel waarmee Johannes de gemeente in de jaren 90  wil troosten en bemoedigen. De evangelist was een mysticus en deze hoofdstukken hebben mystieke diepte. De lezing ervan raakt en ontroert me telkens weer.

Jezus bereidt Zijn leerlingen voor op Zijn heengaan en dan zegt Hij:

“ Ik laat jullie niet als wezen achter, Ik kom bij jullie terug. Nog een korte tijd en de wereld zal Mijn niet meer zien, maar jullie zullen Mij wel zien, want Ik leef en ook jullie zullen leven – de Vader zal jullie namens Mij de Heilige Geest zenden. “

 

Om de diepte van deze woorden te kunnen begrijpen is het denk ik nodig dat wij het denkschema dat bijbel en traditie ons aanreiken even doorbreken. Het traditionele denkschema zet de inhoud van het christelijke geloof precies op een rijtje. De geboorte van Christus, Zijn leven, Zijn dood en opstanding, zijn hemelvaart en daarna Pinksteren : de uitstorting van de Heilige Geest. In dit schema lijkt het alsof de Heilige Geest er voor Pinksteren niet was. Maar dat klopt niet. De Heilige Geest was er al vanaf het  begin : “ In de beginne schiep God de hemel en de aarde, de aarde nu was woest en ledig en duisternis was over de vloed maar de Geest van God zweefde over de wateren”

De Heilige Geest was er al vanaf het begin bij.

Wat bedoelde Jezus dan toen Hij zijn leerlingen troostte met de belofte dat zijn Vader de Heilige Geest zou zenden ?

Ik zie het zo: De Heilige Geest was er vanaf het begin bij maar was in Jezus in grote volheid Aanwezig. Jezus was vol van God, vol van de Geest, doorzichtig tot op God. De Geest was ook in andere mensen Aanwezig, de Geest was ook in de mensen zelf aanwezig maar in Jezus was de Geest zo zichtbaar en voelbaar , er straalde zoveel licht door Hem heen , er ging zo’n helende kracht van Hem uit en zoveel liefde, dat zijn leerlingen en vele anderen zich enorm tot Hem aangetrokken voelden.

Zo kennen we denk ik allemaal wel mensen die licht en kracht en liefde uitstralen, mensen waarin de Geest meer aanwezig lijkt te zijn dan in anderen. Mensen die doorschijnend zijn.

Jezus was zo vol van de Geest dat wie bij Hem naderde het gevoel had God te naderen.

In het  begin van hoofdstuk 14 zegt Jezus tegen Zijn leerlingen:

“ Als jullie Mij kennen zullen jullie ook mijn Vader kennen en vanaf nu kennen jullie Hem want jullie hebben Hem Zelf gezien. Ik ben in de Vader en de Vader is in Mij. Hij doet zijn werk door Mij.”

 

Zo groot is de intimiteit tussen de Vader en de Zoon.

 

Het is geen wonder dat het voor Jezus leerlingen en de anderen die Jezus liefhadden moeilijk was om te leven zonder die bron van licht en leven en liefde die Jezus was. Ze konden Zich warmen aan Hem. Ze konden hun geestelijke dorst lessen, hun spirituele honger stillen maar zij zouden dit na Jezus’ heengaan  moeten missen.

 

Om hen troosten en voor te bereiden op zijn heengaan zegt Jezus:

“ Ik laat jullie niet als wezen achter. Ik om bij jullie terug. Dan zul je begrijpen dat Ik in Mijn Vader ben, dat jullie in Mij Zijn en dat Ik in jullie ben.”

 

Ook uit deze woorden spreekt weer een grote intimiteit: “Ik in Mijn Vader, jullie in Mij en Ik in jullie. “

 

Wat Jezus duidelijk wil maken is dat De Heilige Geest niet alleen in Hem Aanwezig is maar dat de Heilige Geest ons allen omgeeft en in ons allen Aanwezig is. De Heilige Geest overstraalt ons, de Heilige Geest draagt ons, de Heilige Geest beademt ons, de Heilige Geest inspireert ons.

De leerlingen van Jezus voelen zich zo afhankelijk van Jezus. Ze voelen door Jezus heen de liefde van God .Ze verwarmen zich daaraan. En zonder Jezus zijn ze bang de liefde van God kwijt te raken.

Jezus maakt hun duidelijk dat zij voor hun relatie met God niet afhankelijk van Hem hoeven te zijn. Door de Geest kunnen ze zelf een relatie met God aangaan. Die stroom van licht en liefde van God die door Jezus heengaat kan ook door hen heengaan.

 

En dan vraag je je af hoe dit dan mogelijk kan worden.

Aan het begin van hoofdstuk 14 zegt Jezus tegen Zijn leerlingen:

“  Wees niet ongerust maar vertrouw op God en op Mij. In het huis van Mijn Vader zijn veel kamers. Zou ik anders gezegd hebben dat ik een plaats voor jullie gereed zal maken ? “ 

Traditioneel zijn we gewend om dat huis van de Vader in de hemel te plaatsen. Jezus zou naar de hemel gevaren zijn om daar plaats te bereiden voor ons in het huis  van de Vader.

 

Maar als we dat traditionele schema  heel even loslaten zouden we deze woorden ook anders kunnen interpreteren:

Waar woont God ? God woont in ons hart. God woont in de harten van de mensen. De vele kamers in het huis van de Vader ,dat zijn de vele harten van de mensen.

 

Jezus zegt dat Hij voor de mensen plaats bereid in het huis van de Vader. Jezus bereid plaats voor God in de harten van de mensen. Door de wijze waarop Hij leefde en omging met Zijn Vader en met de mensen om Hem heen maakte hij ruimte in de harten van de mensen, ruimte voor God.

Het hart van Jezus is deel van het huis van God. Het hart van Jezus is een kamer in het huis van God. En hele grote ruime kamer. Een kamer waar iedereen welkom was en iedereen zich geborgen kon voelen.

Jezus was een ruimte gevend mens. Hij gaf mensen ruimte door hen onvoorwaardelijk lief te hebben. Wanneer je voelt dat je onvoorwaardelijk lief wordt gehad dan valt er een last van je af. Je hoeft je niet waar te maken. Je hoeft je niet minder te voelen dan anderen. Daardoor ontstaat er ruimte, ruimte in je hart, ruimte voor God.

Zoals Jezus plaats bereidde voor anderen in het huis van de Vader. Zo mogen ook wij voor onze medemensen plaats bereiden . Door hen onvoorwaardelijk lief te hebben ontstaat er in hun hart ruimte, ruimte voor God en kan hun hart een kamer worden in het huis van de Vader.

Amen.

 

 

 

| in Preek van de week.