24 februari 2019

 

Lezingen: Deuteronomium 5, 22-27   en Lucas 6, 17-38
Voorganger: drs. Loes Jansen

Geliefden van God, gemeente van Christus Jezus,

Het vuur van Gods aanwezigheid –  dat op deze zondagen na Epifanie als stralend wit in het antipendium zichtbaar is – vinden we in de bijbel terug in de bergmomenten. We hoorden daarover in de lezing uit Deuteronomium. In het evangelie naar Lucas bevinden we ons in het veld. Jezus is afgedaald vanaf de berg en naar het open veld gegaan. Hij brengt het stralende wit van Gods aanwezigheid midden in ons dagelijkse bestaan. Lucas kan dit zo verteld hebben als hervertelling van een verhaal uit het boek Jozua: de veldrede van Jezus als een midrasj van een ontmoeting van het volk met Jozua.

Het volk trekt gewelddadig het land binnen, vol vuur – is dat wie God is? Spreekt God de taal van het geweld? Jozua verzamelt dan iedereen op een open vlakte om te spreken met het volk en de Ontzagwekkende. De intocht van het volk Israël in het land Kanaän vertelt hoe mensen gefascineerd raken door de aanwezigheid van de God van Israël, zo heel anders dan ze van oudsher kenden. Mensen van allerlei slag zijn daar bij elkaar, de bloedverwanten van de slaven in Egypte en ook mensen die God herkennen zonder nog veel van de Eeuwige te weten. Met deze hervertelling, of door een nieuw verhaal te wortelen in wat al bestaat, laat Lucas zien wat hij belangrijk vindt in dat verhaal: onder het gehoor van Jozua zijn naast eigen volk, ook vreemdelingen. Zoals ook bij de veldrede van Jezus vreemdelingen zijn.

Rodin De kathedraal 1908 Verbeelding van gotische ramen. Hoge ramen, die veel licht binnenlaten. Omhoog gedacht, reikend naar Gods licht. Met een spitsboog. Rodin verbeeldde dit met deze twee handen, kwetsbaar en krachtig tegelijk, naar elkaar toegebogen. We beginnen linksonder te kijken. Volgen vanaf de arm de lichtgebogen vorm naar boven. Langzaam verwijdt de pols in een hand. We zien een duim en een deel van de vingers. Licht buigen ze. En ze raken bijna, net niet aan de vingers van de andere hand. Deze vingers zijn meer gestrekt, reiken naar boven. Nu zien we: het zijn twee rechterhanden.  Twee mensen maken de godsruimte. Erwin Olaf maakte in 2016 een ode aan het beeldje van Rodin. Door zo bezig te zijn met een kunstwerk van een ander leer je het werk en de kunstenaar heel goed kennen en ga je je ertoe verhouden. Hoe denkt deze kunstenaar, wat zijn motieven, mission, drive. Zo zijn ook de verhalen in de evangeliën ontstaan, als een hervertelling van verhalen van de voorouders.

Als Lucas dan spreekt van: ‘jullie die naar mij luisteren’ denkt hij wellicht aan de passage uit Deuteronomium, die we hoorden. Na de samenvatting van de wet, die we kennen als de tien woorden, beseft het volk wat er is gebeurd: we hebben de Eeuwige ontmoet, de Stem gehoord, we zijn in de nabijheid van de Ontzagwekkende geweest, de hitte van het vuur gevoeld. En we leven nog! Het beschrijft een na-reactie. In het moment zelf zijn ze overeind gehouden door God zelf. De Levende heeft hen gedragen, is als een rotswand achter hen geweest, als adelaarsvleugelen onder hen terwijl hun knieën knikten, God was als een verkoelend briesje rond hun hoofd midden in het laaiende vuur. Daar op de berg wordt de Eeuwige een van hen, spreekt in gelijkwaardigheid met hen. En nu schrikken ze terug. ‘Laat ons gaan. Bemiddel jij voor ons’,  zeggen ze tegen Mozes.

De woorden van Jezus zouden doen terugschrikken. Wat een radicalisering van de relatie met de Eeuwige. Wat is dit toch? Dit is toch niet menselijk meer? Zo vol vuur spreekt Jezus. Tegelijk is het duidelijke taal. Wie behoefte heeft aan sterk leiderschap, kan er wel wat mee. Zo kunnen we een vuist maken, zo kunnen we laten zien waar we voor staan. Zou dit – wat we op het eerste gezicht zien, werkelijk zijn waar het om gaat? Ik vraag me af of we niet te maken hebben met de stijlfiguur ‘hyperbool’. Dat is een overdrijving om iets anders duidelijk te maken, extra nadruk op een bepaalde emotie, of een vorm van humor: ja, ja, zo vurige liefde verwacht de Eeuwige van ons! Maar als het nu niet gaat om radicalisering van de wet, waar gaat het dan om? Misschien helpen de struikelwoorden ons op weg. Woorden waarover niet iedereen het direct eens is, over wat ze betekenen. In de Naardense vertaling zijn een aantal momenten in de tekst anders vertaald dan de NBV. Het woord ‘genade’ valt uit de toon. ‘Wat voor genade is het….’ Drie keer horen we dat. M.a.w. ‘let op!’. In de nieuwe bijbelvertaling is gekozen voor ‘is het verdienste?’ Nu blijkt het spanningsveld: handelen wij uit eigen kracht of is het God die in ons handelt, of aan ons handelt. Als we oppervlakkig luisteren, brengen deze woorden van Jezus ons in een kramp. Ik kan denken: ‘ik moet mijn uiterste best doen. Streven naar het betere, want het goede is niet goed genoeg. Wìj moeten het leven zo maken dat het goed is. Het hangt van mij af’. Of we kunnen in de valkuil stappen van het moralisme: altijd weten hoe een ander zou hebben moeten handelen. Maar kan er dan nog sprake zijn van genade? Is het dan niet ‘voor wat – hoort wat’?

Genade is een woord dat we in ons dagelijks leven niet algemeen gebruiken. Een van de synoniemen is: pardon. O ja. Onlangs was er veel commotie rond het kinderpardon. Eind jaren zeventig ging het om een pardon voor kerkmarokkanen. Mensen worden verdacht van landverhuizing vanwege honger, zucht naar luxe, verbetering van levensomstandigheden. Volgens de afspraken is dat geen grond om hier te blijven. Het is een terugkerend fenomeen. Mensen verdwijnen uit nood in de illegaliteit. En het blijft een zoeken hoe daar mee om te gaan. Een pardon is dan: genade in plaats van letterlijk de wet uitvoeren.

Dit voorbeeld kan ons misschien helpen om te begrijpen wat Jezus hier bedoelt. Genade heft de wet op. Zo is de komst van Jezus het begin van het opheffen van de wet. De relatie met God is niet meer afhankelijk van de wet. Want ook onze relatie met God kennen we in eerste instantie als een voor wat – hoort wat. Zo is dat ook afgesproken in de tijd dat al het doen en laten van mensen verklaard werd met ‘God heeft gezegd ….’ Wat wij nu dagelijks doen lijkt echter helemaal los van onze relatie tot God. We zeggen niet meer: ‘ik doe dit omdat het Gods wil is’. Ook al zouden we dat willen zeggen. Dat kunnen we immers niet zeggen in een multiculturele wereld, in een samenleving waarin onze kinderen God anders hebben leren kennen. Toch komen de regels in onze samenleving niet uit de lucht vallen. De afspraken, onze wetten zijn gekleurd door de tien woorden, door de uitleg ook van deze woorden van Jezus: ‘Heb lief wie zich tegen je keert’,  ‘geef wat je dierbaar is’, ‘doe overvloedig, meer dan verwacht’.

Deze radicalisering van Jezus blijkt niet te gaan om nieuwe voorschriften. Jezus wil zijn leerlingen, ons niet overvragen. Verwacht niet het onmogelijke van ons. Jezus vraagt zich hier af of ons gewone, menselijke handelen, handelen naar de menselijke maat: doen wat je hart je ingeeft, de wet, afspraken nakomen, de weg van de minste weerstand gaan, aandacht geven aan elkaar, met goede bedoelingen een ander op weg helpen of dergelijk handelen ons wel dichter bij de Levende zal brengen. Of daarmee de maat vol zal zijn. Is dat immers vaak niet een ‘voor wat hoort wat’-denken en doen?

Jezus klaagt het idee van eigen verdienste aan. Dat is goedkope genade. Welverdiend. Hard voor gewerkt. Als we onze relatie met de Levende blijven zien als ‘voor wat – hoort wat’ zal de maat nooit vol zijn? Zullen we telkens opnieuw goed ons best moeten doen om in een goed blaadje te komen bij God? Jezus laat contouren zien van hoe we kunnen handelen:  wees barmhartig – laat mededogen onze tweede natuur worden. Vol van ontferming en genade zijn zoals Godzelf. Dat is niet een afgemeten, krap-aan maat. Het is een overvolle maat. Dat is leven in het vuur van de Eeuwige.

Doen wat voor de hand ligt, het bekende, binnen de bestaande gewoontes, wetten is vaak het enige wat we doen kunnen, en het is leven waarin we – binnen en buiten de gemeente van Christus – elkaar kunnen herkennen. Zo zijn we samen mens, kunnen samenleven zonder een ander met een heel andere identiteit te veroordelen.

Toch kunnen we dan voorbij-leven aan de beslissende kern van de navolging. Leven met Christus is gebleken iets heel anders te zijn. Wie de Levende betrekt bij het bestaan, weet van het maken van een sprong buiten het bestaande logische denken.

Laten we nog even terugkeren naar de tentoonstelling over het verwerken van andere kunstwerken: de zigzagstoel van Rietveld. Het is toegepaste kunst: het model van de stoel wordt nog altijd gebruikt in de meubelindustrie. En het is een icoon in onze cultuur. We zien een afbeelding van een afstudeerproject van Maarten Baas (1978): hij zette een zigzagstoel gecontroleerd in brand. En filmde dit. Na korte tijd doofde hij het vuur. Het restant stelde hij ten toon. De kunstenaar vertelt: ik wil iets laten zien van de vergankelijkheid. De tijd die verstrijkt. Hoe brengen we de wereld die we kennen en de wereld in de tijd bij elkaar. Dat is niet een ontwaarden van de oorspronkelijke stoel, het is iets toevoegen.

Overal waar wetten zijn, zijn ook grenzen. In de muziek is de maat zo’n grens. In ‘Dank u voor de overvloed’, was dit een 5/2 e maat. Beetje afwijkend. Vaak een driekwartsmaat (wals), vierkwarts of de tactus. Door de maat geeft de muziek rust. Een melodie beweegt zich meestal binnen de maat, soms springt deze echter over een maatstreep heen. Syncope heet dat of een triool. De muziek leidt een eigen leven dat niet alleen bepaald wordt door de maat. Zo is ook ons leven meer dan de grenzen die wetten veronderstellen.

Leven in Christus is net als Jezus de voorouderlijke grenzen openbreken, kritisch beschouwen, diep doorleven. Dat kan pijn doen, zoals we ons branden aan vuur als we te dichtbij komen. Het drie keer voorkomen van ‘genade’ in het evangelie van vanmorgen wijst vooruit naar de opwekking na drie dagen. Het vuur van Gods aanwezigheid breekt leven op – zo wordt leven heel anders dan we ooit voor mogelijk hadden gehouden. Laten we dat meenemen op onze weg en in ons handelen. Amen

| in Preek van de week.