20 januari 2019

 

DE BRUILOFT TE KANA

lezing: Johannes 2: 1-11
voorganger: ds. H. Rooze

 Broeders en Zusters,

 In het evangelie naar Johannes gaan we van feest tot feest. Vrijwel alles wat er gebeurt, gebeurt óf op een feest óf onmiddellijk ervoor óf erna. Als ik goed tel, kom ik aan zeven feesten. En er zijn – nogmaals, als ik goed tel – ook zeven tekenen. Tekenen waarin Jezus zijn heerlijkheid laat zien. De evangelist zei het al in de aanhef: “en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, heerlijkheid als van een Eniggeborene des Vaders.”

   Al meteen aan het begin is het raak. Het speelt zich af “op de derde dag”. Eergisteren nog maar pas is Jezus met zijn optreden begonnen, eergisteren gebeurde het dat Johannes voor het eerst op Hem wees: “Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.” Nog maar net heeft Hij zijn eerste vier leerlingen om zich heen verzameld, en het allereerste wat Hij met hen doet is: hen meeslepen naar een bruiloft. Dat is dus het eerste wat zíj van Jezus meemaken. Jezus gaat hen het eerste, het begin van zijn tekenen laten zien – en dat doet Hij, hoe zou het ook anders, op een feest.

   Ja, het lijkt wel alsof die wereld waarin Jezus terechtgekomen is één groot feest is. Of toch niet?

   Als je nader toekijkt, ga je toch twijfelen. Wat krijgen we in dit verhaal te horen? “Ze hebben geen wijn”. Hoe is het mogelijk? Hoe kun je feestvieren zonder wijn? Volgens de Joodse schriftgeleerden was dat zelfs een gebod, een voorschrift. In Deuteronomium 16:14 staat: “Gij zult u verheugen op uw feest”. De rabbijnen geven daar als commentaar bij: hoe doe je dat, je verheugen? Met wijn! Wijn staat dus voor vreugde. Maar – ze hebben geen wijn; waar blijft dan de vreugde? Eigenlijk is het in heel het evangelie naar Johannes steeds weer hetzelfde liedje. We gaan van feest tot feest, maar nergens lezen we dat het écht feest was, dat men zich daadwerkelijk verheugde. De bruiloftsgasten van Kana hebben geen wijn. De Samaritaanse vrouw heeft geen water. De schare aan de oever van Tiberias heeft – nota bene vlak vóór het Paasfeest – geen brood. En dus gaan we twijfelen. Is de wereld waarin Jezus verschijnt eigenlijk wel zo feestelijk? Ja, van huis uit wel. Van huis uit is het immers Gods goede schepping “En God zag dat het goed was” – dat mag gevierd worden en het wordt ook nog steeds gevierd. Maar aan de andere kant: bij nader inzien blijkt telkens dat het feest in feite leeg is geworden. Ze hebben geen water. Ze hebben geen brood. Ze hebben geen wijn. Wat hebben ze eigenlijk wel? Ja, van huis uit is deze wereld een feest. En dat geldt zeker voor Kanaän, het land van melk en honing. Maar het feest is ontledigd, het heeft geen inhoud meer, de vreugde is eruit. Ze hebben geen wijn: het feest is doodgebloed, het is nog slechts het geraamte van wat een feest had moeten wezen.

   Wat Johannes ons in zijn evangelie wil vertellen is dit: Jezus verschijnt in wat een feest had moeten zijn maar het helaas niet meer is – deze wereld, ons leven – en Hij maakt er een feest van. Hij helpt de bruiloftsgangers van Kana aan wijn; Hij schenkt de Samaritaanse vrouw het levend water; Hij reikt de schare het brood des levens aan. Ja, van huis uit was het een feest: de aarde, het leven, en zeker het leven volgens Gods geboden. Maar als je dan ziet hoe het leven door mensen geleefd wordt, dan blijkt er niets feestelijks meer aan te zijn. Het feest is doodgebloed; ze hebben geen wijn, dat wil zeggen: de vreugde is eruit!

   Aan het eind van het verhaal zegt de evangelist: dit was Jezus’ eerste teken. Het eerste, dat betekent zoveel als: het beginsel, het centrale, het fundamentele teken. In dit teken stelt Jezus zich aan ons voor, laat Hij zien wie Hij is en waarvoor Hij in deze wereld gekomen is. Het is zijn beginselverklaring. Dit is wat Hij komt doen: water in wijn veranderen, uit tranen vreugde te voorschijn toveren. Daarmee is heel Jezus’ werk getypeerd. Dit is het program waarmee Hij ons tegemoet komt: ja Ik weet het mensen, jullie hebben geen wijn, het had zo mooi kunnen zijn, maar jullie missen de vreugde. Ik breng er het leven, de fleur weer in. En zo openbaart Jezus ons zijn heerlijkheid, “als van een Eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid”.

   “Ze hebben geen wijn”. – Het is Jezus’ moeder die het tot Hem zegt. En merkwaardig genoeg is zijn eerste reactie heftig, als van iemand die hevig schrikt:

Vrouw, wat heb Ik met u te doen?
Mijn uur is nog niet gekomen!

   Zijn uur, dat is: het uur van zijn dood. Het uur waarop Hij zijn vlees zal geven als spijs en zijn bloed als drank voor de wereld. In de woorden die zijn moeder tot Hem spreekt, hoort Jezus het al aangekondigd. Ze hebben geen wijn – ja, denkt Jezus, Ik weet het, en Ik weet ook wat de wijn is die Ik eenmaal voor de wereld schenken zal: mijn bloed! Zijn dood als vreugde voor de wereld – daar denkt Jezus nu al aan. Vandaar zijn heftig geschrokken reactie: begint het nu al?

   Aan het einde van het verhaal krijgen we een uitspraak te horen die klinkt als een spreuk, als een gezegde om te onthouden. De uitspraak komt merkwaardig genoeg uit de mond van één die zelf niet in de gaten heeft wat er aan de hand is: de ceremoniemeester. Zonder het zelf ook maar in de verste verte te beseffen is deze man een profeet geworden. Want zo zegt de ceremoniemeester tot Jezus:

Ieder mens zet eerst de goede wijn voor, en als zij dronken zijn de mindere;

gij echter hebt de goede wijn bewaard tot nu.

Wat een getuigenis aangaande Jezus is dat! “Gij hebt de goede wijn bewaard tot nu”. Met Jezus begint het pas echt. “De wet is door Mozes gekomen – dat is al heel wat, we moeten daar niet gering over denken – maar de genade en waarheid, die is door Jezus Christus gekomen. “Genade en waarheid”, dat betekent zoveel als: de diepste solidariteit van God met de mensen. Met Jezus begint het pas echt, en het is begonnen in Kana. Ze hadden geen wijn, daar in Kana. Weet u wat ze er wel hadden? Water! En niet zo’n klein beetje ook: zes stenen watervaten, elk met een inhoud van twee of drie metreten – dat is zowat een klein zwembadje vol! Wat een water – en dat alles “volgens het reinigingsgebruik der Joden”. Ja, daar waren ze goed in: jezelf reinigen, jezelf schoonwassen. Aan die gigantische hoeveelheid water kon je zien wat voor een man de bruidegom was: goed, degelijk, netjes, vroom. “De wet is door Mozes gegeven” – ja, water was er genoeg in Israël. Alleen, ze hadden geen wijn. Voorbeeldige mensen, kerkelijk meelevend – alleen, de vreugde ontbrak. Herkent u hier iets? Kent onze christelijke traditie niet precies hetzelfde verschijnsel? Reinigingswater genoeg: op zondag twee keer naar de kerk, loepzuiver in de leer zijn, je zorgvuldig aan alle regels houden, regels uit de Bijbel plus nog een stuk of wat die mensen erbij hebben bedacht; want we zijn keurige mensen. Water genoeg om ons te reinigen; alleen, waar blijft de vreugde? – En dan komt Jezus – ja, er zit ook een stuk humor in dit verhaal – dan komt Jezus, en die verandert stiekem, achter onze rug om, dat kostbare reinigingswater van ons in wijn! Daar gaat ons water, ons goede fatsoen, ons angstvallig leven volgens wetten en regels, daar gaat onze strenge moraal en onze voorbeeldige orthodoxie. Jezus komt, en Hij verandert ons water in wijn. Hij stelt een andere norm: het gaat er niet in de eerste plaats om dat je rein bent, dat je altijd keurig op de paadjes loopt. Maar het belangrijkste is dit: dat je de vreugde kent! Het leven moet weer een feest worden, en zeker het leven uit het geloof. Als de bruidegom het geweten had – misschien had hij wel geroepen: hé wat moet dat daar, blijf af van mijn reinigingswater! Maar Maria had het goed bekeken: “Al wat Hij u zegt, doe dat.” Laat Hem begaan, ook al vind je het gek of raar, ook al vind je misschien dat het helemaal niet door de beugel kan wat Hij doet. Laat Hem maar, laat Hem van water wijn maken, want dat is het begin van zijn tekenen. De wet is door Mozes gegeven, Johannes doopte met water – wij mensen willen allemaal graag onschuldig zijn. Maar schieten we daarmee op? Kunnen we daarmee ooit het feit afwassen dat we zóndaars zijn? Pilatus waste zijn handen in onschuld – maar maakte dat hem onschuldig? En dan komt Jezus. Johannes doopte met water, maar Jezus doopt met de Heilige Geest. En waarop lijkt dat, de Heilige Geest? “Ze hebben te veel zoete wijn gehad”, zeiden ze op de Pinksterdag. De Heilige Geest lijkt meer op wijn dan op water. Want het is de Geest van de vreugde. Als Paulus onder woorden wil brengen wat de vrucht van de Geest is, dan is dit het tweede woord. Het eerste woord is liefde (vandaar de bruiloft), het tweede is: vreugde, blijdschap.

   Zo vertelt dit verhaal hoe Jezus in ons leven de vreugde brengt. Vreugde in Gods goede schepping, die van huis uit weliswaar een feest was, maar waarin niet zo heel veel feestelijks meer is overgebleven. Het vertelt ons hoe Jezus vreugde brengt in Israël, vreugde in de kerk; waar altijd mensen het weer drukker hebben met zichzelf schoonwassen, eigen vroomheid en reinheid demonstreren, drukker dan met de vreugde van het geloof. Jezus komt in een wereld die een feest had moeten zijn, maar het niet is, en Hij máákt er een feest van. Dat gaat niet zomaar vanzelf. Uiteindelijk zal zelfs zijn bloed eraan te pas moeten komen om deze wereld en het mensenleven weer tot een feest te maken.

   Tenslotte: waarom was het uitgerekend een bruiloftsfeest waarop Jezus zijn eerste teken verrichtte? Ik weet het natuurlijk niet zeker, maar zou het misschien iets te maken kunnen hebben met het feit dat eergisteren Johannes gezegd had: zie het Lam Gods? Zie het Lam Gods –  en het eerste wat Hij met zijn leerlingen doet is naar een bruiloft gaan. Zou dat iets te maken kunnen hebben met dat prachtige visioen uit het laatste bijbelboek, over de bruiloft van het Lam? Zou het toeval zijn dat Johannes de Doper in het volgende hoofdstuk Jezus de bruidegom noemt? De goede wijn die Jezus ons voorzet, de vreugde die Hij brengt, is de voorproef van wat ons straks te wachten staat: het bruiloftsmaal van het Lam. Eenmaal zal de wereld weer een feest zijn. Nooit meer gebrek aan wijn; alleen maar vreugde, voorgoed.

Amen.

 

| in Preek van de week.